The MENA Hydrogen Alliance

The MENA Hydrogen Alliance was launched in 2020 to accelerate the development of value chains for green molecules in the region and brings together private and public sector actors and academia. Under the umbrella of Desertec 3.0, Dii Desert Energy acts as neutral advisor to elaborate business cases and to educate different stakeholders on all aspects of producing, transporting and using green hydrogen and other green molecules. This includes exporting green molecules to world markets, including Europe.

Following the first stakeholders’ consultation at the World Future Energy Summit in Abu Dhabi in January, hosted by Masdar, and the official launch at InterSolar Middle East on 4th of March 2020, the 3rd meeting of the MENA Hydrogen Alliance provided a review on recent activities, as well as a discussion on the alliance’s work until the end of 2020. This particular edition focused on connecting MENA to Europe by fostering a regional partnership between Europe, North Africa and the Middle East to accelerate the deployment of green hydrogen projects and local value chains.

Watch the 3rd (online) Meeting of the MENA Hydrogen Alliance

Dossier waterstof

Als gast hoofdredacteur van het digtiale magazine VN Forum voor het dossier de opmars van waterstof, blad van de NVVN de Nederlandse Vereniging van de Verenigde Natiers, wordt er elke week een artikel bijgeplaatst op http://nvvn.nl/category/dossier-waterstof/ 

Evenals vele andere lidstaten van de VN kent ook Nederland een Vereniging voor de Verenigde Naties. Deze vereniging, kortweg de NVVN genaamd, werd in 1987 opgericht. In de statuten wordt het doel van de NVVN als volgt verwoord: “Het bevorderen van de doelstellingen van de Verenigde Naties in Nederland teneinde de bevolking bewust te maken van de noodzaak tot internationale samenwerking en de vestiging van een internationale rechtsorde.

De toekomst van waterstof: De ontbrekende schakel

Energie: De toekomst van waterstof

De ontbrekende schakel

Hoewel waterstof vaak wordt voorgesteld als hét symbool van een duurzame toekomst, is de weg daarnaartoe allesbehalve rechtlijnig. Een actieve regie is nodig. ‘Nederland heeft de neiging om te zeggen: laat de markt alles doen.’

Luuk Sengers

22 april 2020 – verschenen in nr. 17-18

Tankstation NXT in Westzaan biedt vanaf 2020 waterstof als brandstof aan. Augustus 2019© Berlinda van Dam / HH

Een belangrijke bron van energie in de toekomst wordt gezonde voeding. Hele wijken zijn straks alleen nog te voet of op de fiets bereikbaar. Auto’s zijn uit de binnensteden verdrongen door metro’s, trams en elektrische stadsbussen.

Een rit met een auto begint bij een oplaadpaal; de elektrische auto heeft de economische strijd gewonnen van de waterstofvariant. Alleen vrachtwagens en touringcars rijden op waterstof, omdat een waterstoftank minder weegt dan batterijen. En de vliegtuigen in de lucht verbranden ‘synthetische’ kerosine, een combinatie van waterstof en herwinbare kooldioxide.

In monumentale buurten en op het platteland zijn gasketels vervangen door waterstofketels en komt er waterstof uit de oude gasleidingen. Grachtenpanden en boerderijen zijn niet zuinig genoeg om met elektriciteit te verwarmen en op een warmtepomp aan de zeventiende-eeuwse gevel of warmtebuizen in de gracht zit niemand te wachten. In moderne buurten ligt dat anders: daar zijn de woningen via een warmtenet aangesloten op restwarmte van de industrie of thermische warmte uit de grond. Of ze hebben warmtepompen die warmte uit de lucht, de bodem of het grondwater halen.

Uit de kust en uit het zicht staan gigantische windmolenparken in de Noordzee. Daartussen enkele kunstmatige eilanden waarop uit windenergie waterstof wordt geproduceerd. Maar de meeste elektrolysers voor de productie van waterstof staan op het land, dicht bij industriële clusters, zoals in Delfzijl, Amsterdam, de Maasvlakte en Borsele. Tot bezwaren leidt dat nauwelijks, want elektrolysers doen hun geruisloze werk in gigantische loodsen – en aan ‘dozen’ in het landschap is Nederland in 2040 inmiddels wel gewend. Bovendien komt er nu zoveel energie van zee en uit zonnepanelen dat men begonnen is omstreden windmolens op het land te onttakelen.

De industrie zit voor het grootste deel ‘aan het stopcontact’: de voedingsfabrikanten, de machinefabrieken, de hele chemiesector. Alleen waar temperaturen van meer dan zeshonderd graden noodzakelijk zijn, zoals voor het maken van staal, glas en bakstenen en voor chemische processen, wordt waterstof gebruikt. Verder is waterstof een belangrijke grondstof voor de productie van bijvoorbeeld kunststof of kunstmest.

Olie wordt alleen nog geproduceerd als grondstof voor de chemische industrie en, niet onbelangrijk, om windturbines te smeren – hoewel de meeste chemische producten tegen die tijd misschien al uit biomassa, waterstof en hergebruikte koolstof worden gemaakt. En aardgas wordt hooguit ingezet om tekorten aan waterstof op te vangen. Het moet dan wel uit Noorwegen of Rusland worden geïmporteerd, want Slochteren is dan al vijftien jaar dicht. Het twaalfduizend kilometer lange aardgasnet van Gasunie wordt nu voornamelijk gebruikt om waterstof te verdelen.

Het lijkt niet zo moeilijk om je voor te stellen waar onze energie in 2040 vandaan komt. Later is allang begonnen. Een op de elf geplande windmolens in de Noordzee staat al fier overeind (één gigawatt van de geplande elf gigawatt). Er ligt een klimaatakkoord met een routeplan tot in elk geval 2030. De twee tegenpolen, de industrie en de natuur- en milieuorganisaties, hebben elkaar gevonden in een ‘waterstofcoalitie’. En twee weken geleden heeft het kabinet een ‘waterstofvisie’ gepubliceerd. De opties zijn beperkt en de tijd dringt: in 2050 moeten we, net als de rest van de wereld, volledig CO2-neutraal zijn.

Ons energiesysteem wordt een mix van groene elektronen (stroom) en groene moleculen (waterstof). Want de waterstof is nodig om de flauwtes in de duurzame energieopwekking (periodes zonder wind en zon) te overbruggen.

Maar dat is niet het hele verhaal. Waterstof is óók een onmisbare grondstof en brandstof voor de industrie. En deze heeft er belang bij dat de waterstof zo goedkoop mogelijk wordt geproduceerd. Dat wil zeggen: uit aardgas en niet uit water met behulp van elektriciteit van windmolens. De CO2 die daarbij vrijkomt, wil de industrie opslaan onder de grond – een technologie die volgens critici niet alleen gevaarlijk is, maar ook de transitie naar een werkelijk duurzame economie vertraagt. Hoewel waterstof dus vaak wordt voorgesteld als hét symbool van een duurzame toekomst, zou ze ook wel eens dé hinderpaal op weg naar die toekomst kunnen zijn.

Waterstof. ‘H’ voor scheikundigen – van ‘hydrogenium’. Het deeltje dat het meest voorkomt in het universum (hele sterren bestaan uit waterstof) en dat op onze planeet vooral bekend is door zijn unieke verbinding met zuurstof, in de vorm van H2O. Hydrogenium: ‘de watermaker’.

Dat je water ook weer uit elkaar kunt halen, is uiteraard een ontdekking van de mens. Zet een bak water onder stroom en de zuurstofatomen zwemmen naar de ene kant en de waterstofatomen naar de andere. Waterstof- en zuurstofatomen delen in H2O vier elektronen. Als je deze lokt met een positieve of negatieve elektrische lading van buiten, vergeten ze hun loyaliteit en laten ze het watermolecuul uit elkaar vallen.

Waterstof komt op aarde vooral voor in verbindingen met andere atomen. Aardgas, bijvoorbeeld, bevat ook waterstofatomen. Net als olie, vetten, zuren en menselijk weefsel. Omdat het niet zelfstandig kan overleven, hecht het zich met groot enthousiasme aan alles wat voorbijkomt. En het is déze enorme energie die waterstof zo gewild maakt. Als je een waterstofatoom dat op de ene plaats door elektrolyse is losgeweekt van een zuurstofatoom op een andere plaats weer verbindt met een zuurstofatoom, komt er veel energie vrij. De rol van waterstof in ons toekomstige energiesysteem is die van ‘energiedrager’: we kunnen er elektrische energie in opslaan en vervoeren.Waterstof is ook een onmisbare grondstof en brandstof voor de industrie, dus moet het zo goedkoop mogelijk zijn

Dat maakt waterstof tot de ontbrekende schakel in een duurzaam energiesysteem. Op momenten dat er te veel elektriciteit is, gebruiken we deze voor elektrolyse. De waterstof slaan we op in zoutkoepels. In periodes dat het níet waait én de zon niet schijnt, gebruiken we de waterstof om elektriciteit op te wekken. Stroomtekorten worden op de eerste plaats opgelost door elektriciteit uit andere landen in te kopen. ‘Dunkelflautes’, waarbij er op hetzelfde moment in héél Europa geen wind of zon is, zijn zeldzaam, maar komen voor. Het is dus goed om waterstof achter de hand te hebben.

Waterstof is bovendien ‘schoon’: bij het samenvoegen van waterstof met zuurstof (bij verbranding) ontstaat water. Daardoor is het ook een ideaal alternatief voor koolstofhoudende brandstoffen zoals aardgas en diesel.

We zullen in Nederland in 2040 waarschijnlijk lang niet al onze waterstof zelf kunnen produceren. De windturbines die daarvoor nodig zijn, moeten immers óók helpen om de honger van onze laptops, auto’s en koelkasten te stillen. In alle scenario’s wordt daarom ook gerekend op aanvoer uit bijvoorbeeld Spanje en Marokko, waar waterstof uit elektriciteit van goedkope zonnepanelen kan worden gemaakt.

De uitdaging van waterstof is gelegen in de elektriciteit die nodig is om haar te scheiden van andere atomen. Bij de omzetting van elektrische energie naar moleculaire energie gaat twintig tot dertig procent verloren. Huidige elektrolysers maken bovendien nog gebruik van zeer zeldzame metalen, zoals iridium. Efficiëntere en goedkopere elektrolysemethodes zijn de heilige graal.

‘Over twintig jaar kan het aandeel van elektriciteit in het verbruik twee keer zo groot zijn als nu’, denkt Pieter Boot, sectorhoofd klimaat, lucht en energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Dat komt onder andere door elektrificatie van het wagenpark en van de industrie en door het wegvallen van aardgas. Zelfs als we op andere vlakken zuiniger worden met energie – en dat is verstandig om te doen – zal onze stroomhonger groter worden.’

Straks kan de helft van onze energie uit het stopcontact komen. Nog eens een kwart komt van omgevingswarmte of van de industrie. ‘Waterstof is de laatste keus’, zegt Boot, ‘op de plaatsen waar andere energiedragers lastiger zijn. Maar dan heb je het misschien toch nog altijd over 25 procent van onze energiebehoefte.’

Maar terwijl windmolens al rendabel zijn, moet de eerste commerciële waterstoffabriek nog worden gebouwd. Hoe kan dat? Er lijkt een belangrijke rol weggelegd voor de industrie. Zij verbruikt immers veruit de meeste energie (vooral in de vorm van aardgas), is nu al de grootste afnemer van waterstof (als grondstof) en is, als het goed is, in staat het voortouw te nemen bij de noodzakelijke giga-investeringen. Maar het gedrag van de olie-, chemie-, kunstmest- en staalreuzen laat zich moeilijker voorspellen dan dat van moleculen.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat telde eind vorig jaar acht serieuze plannen van de industrie voor een investeringsbedrag van in totaal een miljard euro. In wisselende coalities hadden Nouryon, Tata Steel, Dow Benelux, Yara, BP en KLM plannen gepresenteerd voor de grootschalige productie van waterstof. Recent hebben Shell en Gasunie zich daarbij aangesloten, met een schets voor een gigantisch windmolenpark met elektrolysers in de Noordzee.

Dit lijkt een behoorlijk commitment. Maar geen van deze ontwerpen prikt al op een bord op een bouwterrein. Sinds het Kyoto-protocol van 23 jaar geleden weet de industrie dat ze niet aan verduurzaming kan ontsnappen. Ze past elektrolyse (een ontdekking uit 1832) al lang toe om metalen te winnen uit mineralen. En de brandstofcel, die chemische energie weer omzet in elektrische energie, beleefde zijn grote doorbraak in 1993, dus vier jaar vóór Kyoto.

Er draaien wel talloze kleine projectjes met waterstof: in Veendam zet een elektrolyser van Gasunie (met één megawatt de grootste tot nu toe in Nederland) zonne- en windenergie om in waterstof; in Rozenburg en Hoogeveen worden woningen verwarmd met waterstofketels; tussen Groningen en Leeuwarden rijdt sinds kort een waterstoftrein; in Delfzijl bouwen KLM en Schiphol mee aan een fabriek die groene kerosine moet gaan maken en wat verder van huis, in Zweden, draait al een staalfabriekje (van SSAB) op waterstof in plaats van op kolen.

Volgens ondernemersorganisatie FME sleutelen er in Nederland 260 kleine en middelgrote bedrijven aan innovaties op het gebied van waterstof. Een voorbeeld is H2Fuel Systems in Voorschoten, dat ontdekte hoe je waterstof (een gas) in een vloeistof en in korrels kunt bewaren, wat meer mogelijkheden biedt voor opslag en vervoer. Voor al deze initiatieven geldt: het is wachten op een markt.

‘We hebben niet nóg meer rapporten en studies nodig’, zegt Noé van Hulst, topambtenaar bij Economische Zaken en Klimaat en al twintig jaar een invloedrijke energiedeskundige binnen de overheid. ‘Nu moet de schop in de grond.’

Ook de beheerders van de infrastructuur, Gasunie, Stedin en TenneT, raken ongeduldig. ‘2030 is voor ons morgen’, zegt Hans Coenen, vicepresident corporate strategy van Gasunie. ‘We hoeven niet veel aan te passen aan ons leidingnet om het geschikt te maken voor waterstof, maar we kijken niettemin aan tegen een investering van twee miljard euro en we moeten snel beslissen om op tijd klaar te zijn.’Het gedrag van de olie-, chemie-, kunstmest- en staalreuzen laat zich moeilijker voorspellen dan dat van moleculen

‘Het komt moeizaam op gang, maar dat ligt niet alleen aan de industrie’, zegt hoogleraar Ad van Wijk, die in binnen- en buitenland bekendheid geniet als waterstofdeskundige en onder andere de Europese Commissie adviseert. Zo is er bijvoorbeeld nog geen subsidieloket voor waterstof. ‘De huidige subsidieregeling voor duurzame energie, SDE++, beoordeelt aanvragen op hun CO2-besparing en bij de productie van waterstof wordt geen CO2 bespaard. Indirect natuurlijk wel, omdat dankzij waterstof fossiele brandstoffen overbodig worden, maar zo ziet de wetgever dat nog niet.’

Plannen voor elektrolysers op zee stuiten ook op een andere hindernis: alleen offertes (tenders) tot één gigawatt windenergie komen in aanmerking voor subsidie. ‘Maar voor een elektrolyser is minstens tien keer zoveel capaciteit nodig’, aldus Van Wijk. ‘Shell heeft onlangs de knuppel in het hoenderhok gegooid met zijn voorstel voor een windpark van tien gigawatt.’

Een derde barrière vormt het transport van de geproduceerde waterstof. Van Wijk: ‘TenneT is verplicht energiekabels van windparken op zee aan te sluiten op het net. Het is echter veel voordeliger om waterstof op zee te maken en dan als gas door een pijp aan land te brengen. Daar zou de Gasunie moeten zorgen voor verder transport. Maar voor de Gasunie geldt nog niet dezelfde verplichting als voor TenneT.’

Misschien maakt de industrie ook om een andere reden geen haast, denkt hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans. ‘De industrie wint nu waterstof uit aardgas. En als ze het voor elkaar krijgt om de CO2 die daarbij vrijkomt op te mogen slaan onder de grond, dan hoeft ze voorlopig helemaal niet in windmolens en elektrolysers te investeren.’

De industrie gebruikt nu ook al veel waterstof, als grondstof. Deze wordt gewonnen uit aardgas (CH4) en wordt ‘grijze waterstof’ genoemd – ter onderscheiding van ‘groene waterstof’ die met herwinbare energie uit water wordt gemaakt.

Enkele invloedrijke bedrijven, waaronder ExxonMobil, Shell en de Rotterdamse haven, lobbyen momenteel voor toestemming en subsidie om het eerste Carbon Capture and Storage-project (CCS) in lege gasvelden onder de Noordzee te kunnen beginnen, het Porthos-project. De milieubeweging is mordicus tegen, wegens het risico op verzuring van de zee en omdat de initiatiefnemers de maatschappij willen laten betalen voor de infrastructuur.

‘Ik ben bang dat de industrie “blauwe” waterstof, waarbij de CO2 wordt afgevangen, als ontsnapping ziet’, zegt Rotmans. ‘Dan kan ze voorlopig gewoon door blijven gaan met haar huidige productiewijzen.’ Campagneleider en energiedeskundige Faiza Oulahsen van Greenpeace deelt die zorg. ‘Enkele bedrijven kijken gelukkig wél serieus naar groene waterstof, maar andere lijken te denken: als we gedwongen worden, geef ons dan maar geld voor CCS. En zodra de infrastructuur voor CCS er eenmaal is, gaat deze werken als een lock-in. Dan komt de massale elektrificatie van de industrie niet van de grond.’

‘De komende tien jaar leidt het inzetten op waterstof dus helemaal niet tot CO2-reductie, integendeel’, zegt Rotmans. ‘De uitstoot zal eerst omhoog gaan, doordat er veel fossiele energie nodig is om grijze waterstof te maken en om de CCS-infrastructuur aan te leggen.’

De Groene Amsterdammer heeft twee grote spelers, Shell en Nouryon, naar hun mening gevraagd. Nouryon reageerde dat ze hier nu ‘geen ruimte’ voor hebben en Shell reageerde helemaal niet.

Een actieve regie is nodig, stellen alle betrokkenen. ‘Nederland heeft de neiging om te zeggen: laat de markt alles doen’, zegt topambtenaar Van Hulst. ‘Maar die houding moeten we nu niet hebben. Gelukkig ziet het kabinet dat ook en pleit het in zijn waterstofvisie voor een actieve regisseursrol voor de overheid.’

‘De overheid heeft al jaren geen leiding meer genomen’, stelt Rotmans. ‘De meeste “visies” werden niet uitgevoerd. De energietransitie vergt een langetermijnstrategie en een centrale, sturende rol, niet alleen van de overheid, maar bijvoorbeeld ook van het Havenbedrijf Rotterdam.’

‘Energie is een publieke voorziening’, zegt zijn collega Van Wijk. ‘We moeten voorkomen dat de industrie straks alle goedkope groene energie krijgt en huishoudens duurdere energie moeten kopen. En op Texel moet de energie straks nog net zo goedkoop zijn als in hartje Amsterdam. Daar is marktordening voor nodig.’

Covid-19 biedt nu een unieke kans. In ruil voor financiële steun zou de overheid duurzaamheidseisen kunnen stellen aan de industrie en de luchtvaart. Eén simpel voorstel lag er al vóór de crisis: verplicht grootverbruikers om een deel van hun aardgas te vervangen door groene waterstof, zodat de productie daarvan eindelijk op gang komt.

‘Nadat Slochteren was ontdekt, heeft de overheid binnen een paar jaar een heel gasleidingnet uit de grond gestampt’, zegt Faiza Oulahsen van Greenpeace. ‘Dat heeft de overheid destijds toch óók niet aan de markt overgelaten?’


Dit artikel verscheen eerder in De Groene Amsterdammer
Met medewerking van René Peters, business director gastechnology van TNO

Green gases from sun and wind are a new opportunity for North Africa

By Jorgo Chatzimarkakis (Secretary General of Hydrogen Europe)



It was a matter of principle the European Commission President Ursula von der Leyen’s first visit abroad was to liaise with the African Union. This is not a coincidence as there are plenty of issues of common interest that look for answers and solutions. An important, if not the most critical, is the question of how to create both value and jobs on the African continent to a growing population that already suffers from the effects of climate change.

The production of renewable energy is obviously a possible option that also allows the EU to import green energy that can contribute to reaching the respective national targets that have evolved from the Paris Climate Agreement.

Solar energy resources are abundant in North Africa. Professor Ad van Wijk, from the Technical University in Delft, is an expert on renewable energies and has calculated the potential of using sun and wind energy from the Maghreb. The Sahara Desert is the sunniest year-round area in the world. It is a large area at 9.4 million square km, or more than twice the size of the European Union, that receives between 3,600-4,000 hours of on average yearly sunshine.

This translates into solar insolation levels of 2,500-3,000 kWh per square meter, per year. A fraction (8-10%) of the Sahara Desert’s area could generate the globe’s entire energy demand. What this shows is that it is only a matter of managing this huge amount of renewable potential.

In his publications, van Wijk highlights that the Sahara Desert is also one of the windiest areas on the planet, especially on the west coast.  The average annual wind speeds at ground level exceed 5 m/s in most of the desert and reaches 8-9 m/s in the western coastal regions. Wind speeds increase with height above the ground, and the Sahara winds are quite steady throughout the year.

Egypt’s Zaafarana region is comparable to Morocco’s Atlantic coast, with high and steady wind speeds. In Morocco, Algeria, Tunisia, Libya, and Egypt certain land areas have wind speeds that are comparable to offshore conditions in the Mediterranean, Baltic Sea and some parts of the North Sea.

Solar and wind resources are more than sufficient given that North Africa and could easily be a main source for the whole world’s energy needs. To date, the Maghreb exports natural gas from Algeria and Libya, with several pipeline connections to Spain and Italy. These pipeline connections have a capacity of more than 60 GW. In addition, there are two electricity transport cables, each with a capacity of 0.7 GW, between Morocco and Spain.

Rabat and Madrid signed a Memorandum of Understanding in 2019 to realise a third power interconnector of 0.7 GW, which will be used to export solar electricity from Morocco to Spain. The capacity of these electricity inter-connections, however, is much less than the capacity of the gas inter-connections.

For Africa and Europe, it would be therefore very interesting to unlock the renewable energy export potential in North Africa if the countries of the Maghreb convert this electricity into hydrogen and transport the energy via pipelines to Europe. Part of the natural gas grid could be converted to accommodate hydrogen. The construction of new hydrogen pipelines would be a cost-effective option, compared to the construction of electricity cables, to transport renewable energy to Europe.

The realisation of a large new 2,500 km, 66 GW capacity hydrogen pipeline from Egypt, via Greece to Italy, consisting of 2 pipelines, would require an investment of about €16.5 billion. With a load factor of 4,500 hours per year, an amount of 300 TWh or 7.6-million-ton hydrogen per year can be transported. The levelised cost for hydrogen transport by such a pipeline is calculated to be 0.005 €/kWh or 0.2 €/kg H2, which is a reasonable fraction of the total cost of delivered hydrogen.

These considerations might help to trigger a closer partnership between Europeans and their African neighbours, a development that could usher in the integration of the “African dimension” into the European Green Deal.

This would then free up bottlenecks that have already been created in Europe by not achieving a ramping up of the power grid, which hampers the ability to deliver more renewables into the energy system.

The First Executive Vice-President of the EU Commission and “Mr Green Deal”, Frans Timmermans, has said on many occasions that it’s one of his dreams to see the development of an energy partnership between Europe and Africa based on the enormous renewable potential. We should adapt all the instruments that we have at hand to make this dream a reality sooner rather than later.

This article appeared on: https://www.neweurope.eu/article/green-gases-from-sun-and-wind-are-a-new-opportunity-for-north-africa/

Groningen doet nog niet genoeg met waterstof, zegt deze energieprofessor (maar gelukkig zijn er kansen zat)

Koning Willem-Alexander verrichte afgelopen juni de opening van de groene waterstofinstallatie Hystock in Zuidwending waar waterstof wordt geproduceerd voor auto's en vrachtauto's.
 Koning Willem-Alexander verrichte afgelopen juni de opening van de groene waterstofinstallatie Hystock in Zuidwending waar waterstof wordt geproduceerd voor auto’s en vrachtauto’s. Foto archief Kees van de Veen

Ondanks al lopende waterstofprojecten in Groningen moet die provincie veel meer doen met deze veelbelovende energiedrager. ,,Het moet allemaal veel grootschaliger.’’

Dat zegt de Delftse hoogleraar toekomstige energiesystemen Ad van Wijk. Hij was een van de experts die donderdag in Lelystad het woord voerden op de eerste Nationale Waterstofdag. Het evenement werd georganiseerd door de Wageningen Universiteit en TNO. Het superschone waterstof wordt door velen gezien als de brandstof voor de toekomst. De ontwikkeling komt echter moeizaam op gang.

,,Groningen moet straks voor duizenden mensen die nu nog in de gaswinning werken ander werk zoeken. En dat kan ook. De provincie zit in een unieke positie en beschikt over het uitgestrekte netwerk van gasleidingen, dat is prima geschikt voor waterstof. Bovendien zit er veel kennis op het gebied van gas en de handel daarin. Maar de provincie moet wel aan de bak. Groningen moet een voortrekker worden in het waterstofverhaal.’’

Van Wijk vindt dan ook dat Groningen meer moet investeren in waterstof. ,,Dat kan met de huidige lage rente ook prima. Je kunt nu bijna voor niets geld lenen.’’

Opschalen en opschalen

Van Wijk is niet de enige die pleit voor meer tempo. ,,Wat moet er nu gebeuren? Opschalen, opschalen en opschalen. En de kosten moeten omlaag’’, meent Noé van Hulst, ‘waterstof gezant’ van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Er wordt nog veel te weinig gebruikgemaakt van de schone brandstof. Om daar iets aan te doen voelt hij voor een meer verplichtende aanpak. ,,Je zou bijvoorbeeld kunnen bepalen dat in 2030 5 of 10 procent van het gas dat in de EU wordt gebruikt C02-vrij is. Zoals waterstof. Je hebt een hele harde vraagprioriteit nodig.’’

Marjan van Loon, president-directeur van Shell Nederland, erkende dat haar bedrijf ook al jaren met waterstof bezig is. De echte doorbraak is er eigenlijk nog steeds niet. Shell ziet vooral een rol voor de schone brandstof in zwaar transport en de scheepvaart en minder bij de verwarming van huizen. ,,Het is op dit moment nog wel een beetje chaotisch.’’

Mooie Toyota

Dat er zo weinig personenauto’s in ons land op waterstof rijden komt ook doordat haast nergens kan worden getankt. ,,Ik rij in een heel mooie zwarte Toyota Mirai, die op waterstof rijdt. Shell maakt zelf de benodigde waterstof voor de Mirai’s van de bedrijfsautopool’’, aldus Van Loon.

Ze wees erop dat het in Duitsland sneller gaat. ,,Daar zijn al 82 tankstations waar waterstof kan worden getankt.’’

Er is nog iets. Om groene waterstof te produceren, is duurzame stroom nodig, bijvoorbeeld uit wind- of zonne-energie. Die zet watermoleculen om in waterstof en zuurstof. ,,We hebben in Nederland veel meer groene stroom nodig. Vooral veel meer windenergie die op zee wordt opgewekt. Nederland moet veel grootschaliger denken, we moeten af van die kleine postzegels. Windparken op zee moeten veel groter worden en sneller aangelegd.’’

Van zonne-energie in ons land heeft ze minder verwachtingen. ,,Wind heeft een veel groter potentieel.’’

Oplossing

Ook Van Loon vindt dat ons land boft met de aanwezige gasinfrastructuur van 42.000 kilometer aan leidingen. Ze denkt dat elektrisch rijden en rijden op waterstof in de toekomst naast elkaar zullen bestaan. ,,Voor korte ritten in de stad is elektrisch handig, voor langere ritten op het platteland is de grotere actieradius van waterstof een oplossing.’’

Hoogleraar Van Wijk blijft optimistisch. Hij merkt op dat energie uit zon en wind ook al veel goedkoper is dan in het verleden. Het komt er volgens hem vooral op aan goedkope wind- en zonne-energie te vervoeren naar plekken waar het wordt gebruikt. Dat betekent bijvoorbeeld dat Nederland in de toekomst groene waterstof koopt die is gemaakt met goedkope zonnestroom uit de Sahel. ,,We importeren nu ook al 65 procent van onze energie.’’

Hij wijst op Japan, waar de ontwikkelingen op waterstofgebied razendsnel gaan. Zo zijn er al 500.000 waterstofinstallaties voor huishoudens verkocht. De komende Olympische Spelen worden de definitieve doorbraak. ,,Die draaien helemaal op waterstof. Zelfs de Olympische vlam brandt er op. Daar moeten alleen wel wat kleurstoffen aan worden toegevoegd.’’

Auteur: Gerdt van Hofslot. Bron

Wanneer gaan we aan de waterstof?

Al decennialang hoor je dat waterstof dé energiebron van de toekomst is. Of beter gezegd: energiedrager, volgens professor Ad van Wijk. Maar vooruitgang op dat gebied lijkt maar traag te gaan. Natuurlijk, de brandstofcel, die met waterstof gevoed wordt, werd jaren geleden al in de eerste auto’s ingebouwd en op sommige plekken in Nederland rijden autobussen op waterstof. Maar wanneer gaat waterstof, het meest voorkomende element in het heelal, op grote schaal toegepast worden?

TRANSPORT VAN ELEKTRICITEIT

AdvertentieAls het aan hoogleraar ‘energiesystemen van de toekomst’ Ad van Wijk ligt, heel snel. Volgens hem gaan we het met zonne- en windenergie binnen Nederland alléén niet redden. Dat betekent dat we duurzame energie van buiten het land moeten halen, bijvoorbeeld van grootschalige zonnecentrales in de Sahara. Maar hoe krijgen we die elektriciteit hier? “Via waterstof”, zegt Ad van Wijk. Dat moet volgens hem ook wel, want het huidige elektriciteitsnet slibt dicht. Dat tranport via waterstof is ook de droom van Eurocommissaris Frans Timmermans, die nu bezig is met zijn Green Deal.

GASLEIDINGEN

Het werkt vrij eenvoudig: op de plek waar je zonnepanelen of windmolens hebt staan, zet je door middel van elektrolyse de opgewekte energie om in waterstof. Dat transporteer je via bestaande gasleidingen, die straks toch niet meer worden gebruikt, hierheen. Daarmee verlies je ook wel energie, maar het rendement blijft volgens Van Wijk hoog genoeg. Binnenkort komt minister van Economische Zaken en Klimaat Eric Wiebes, die waterstof in de energietransitie al onmisbaar noemde, met de kabinetsvisie over waterstof. De verwachtingen zijn hoog, temeer omdat elektriciteit uit wind en zon nu zo goedkoop zijn geworden.

DIT FRAGMENT KOMT UIT DE VOLGENDE UITZENDING:
VROEGE VOGELS RADIO | 2 FEBRUARI 2020 – VROEGE VOGELS – BNNVARA

De wereld kan op waterstof rekenen

Vier vragen over waterstof als energiebron In zijn dromen haalt Eurocommissaris Frans Timmermans waterstof uit de Sahara om vuile energiebronnen te vervangen. Waterstof is de toekomst, zeggen experts. Hoe kunnen we waterstof gaan gebruiken?

Er is veel optimisme over waterstof als energiebron. De komende Olympische Spelen in Tokio staan volledig in het teken van de energiedrager.
Er is veel optimisme over waterstof als energiebron. De komende Olympische Spelen in Tokio staan volledig in het teken van de energiedrager.Foto Behrouz Mehri/AFP 

Betere reclame voor waterstof is niet denkbaar. De komende Olympische Spelen in Tokio staan volledig in het teken van deze energiedrager. Voor alles in het olympisch dorp wordt waterstof ingezet, of het nu om transport, stroom of warm water gaat. En na de Spelen deze zomer gaan 10.000 Japanners in de ‘waterstofstad’ wonen om het klimaatvriendelijke initiatief een vervolg te geven.

Mooi dat zo’n grootschalig evenement zo schoon kan verlopen. Eén kanttekening is er wel. De waterstof die nu per schip op weg is naar Japan, werd in Australië gewonnen uit bruinkool, dat voor nog meer uitstoot zorgt dan steenkool. „Natuurlijk zit er veel symboliek in”, zegt gasexpert René Peters van TNO, „want de uitstoot van CO2 heeft in Australië plaatsgevonden en nu heeft Japan schone energie. Tegelijkertijd laat het initiatief wel zien dat we met waterstof ons hele energiesysteem kunnen vergroenen.”

Niets lijkt onmogelijk met waterstof, maar er moeten eerst nog heel wat praktische bezwaren worden weggenomen, zoals het gebruik van Australische bruinkool laat zien. „Toch vind ik het opvallend dat eigenlijk iedereen een grote toekomst ziet voor waterstof. Van overheid tot industrie, van maatschappelijke organisaties tot de wetenschap”, zegt Peters van TNO, dat eind vorig jaar een aantal ‘webinars’ over waterstof organiseerde.

Dat optimisme uit zich in allerhande initiatieven. Bedrijven vinden elkaar in pilots, in het klimaatakkoord van afgelopen zomer wordt toekomstig gebruik van waterstof tientallen keren genoemd en Noord-Nederland tracht als Hydrogen Valley met Europees geld het succes van Silicon Valley na te jagen. Klimaatminister Eric Wiebes (VVD), die waterstof in de energietransitie onlangs in de Tweede Kamer „onmisbaar” noemde, komt in het eerste kwartaal van dit jaar met een kabinetsvisie over het meest voorkomende element in het heelal.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Gaat waterstof het klimaat redden?

1 Waarom krijgt waterstof zo’n grote rol toegedicht?

Om verdere opwarming van de aarde zoveel mogelijk tegen te gaan, moeten we de uitstoot van broeikasgassen geleidelijk staken. Dat betekent in de praktijk stoppen met het verbruik van fossiele brandstoffen, zoals olie en gas. Dat is mogelijk door te elektrificeren, zoals nu al met de auto gebeurt. De cv-ketel kan worden vervangen door een elektrische warmtepomp. Voorwaarde is dan wel dat er voldoende groene stroom is, via bijvoorbeeld wind en zon.

Maar dan zijn we er nog niet. Anders dan olie en gas is stroom veel moeilijker op te slaan. Die opslag is noodzakelijk om op piekmomenten of op dagen zonder wind niet zonder elektriciteit te zitten. Ondanks de verbeterde technologie blijft het gebruik van accu’s duur. Veel beter is het om de stroom op te slaan als groene waterstof. Dat kan bijvoorbeeld in lege zoutcavernes, zoals dat nu al gebeurt met aardgas.

„Het voordeel van waterstof is dat veel van de benodigde technologie al lang bestaat”, zegt Ad van Wijk, hoogleraar toekomstige energiesystemen in Delft. „Doordat stroom uit wind en zon zo goedkoop aan het worden is, krijgt de ontwikkeling van waterstof nu een enorme impuls. Drie jaar geleden spraken we nog nauwelijks over waterstof, terwijl wij het al decennia gebruiken. Vijftig jaar geleden werd vloeibare waterstof al gebruikt bij raketlanceringen.”

2 Hoe wordt waterstof geproduceerd?

Niet alle waterstof is even vriendelijk voor het klimaat, zoals het ‘olympisch’ gas uit Australië laat zien. Daar gaat het om zogeheten grijze waterstof, die zowel met aardgas als steenkool kan worden geproduceerd. Stoom van wel 700 graden reageert onder druk met aardgas, waardoor je CO2 en waterstof krijgt. Als losse stof komt waterstof op aarde niet voor.

Het is ook mogelijk om die CO2 niet de schoorsteen uit te laten vliegen. Door het broeikasgas af te vangen en bijvoorbeeld op te slaan in lege gasvelden onder de zeebodem, voorkom je schadelijke uitstoot. De waterstof die op deze manier wordt geproduceerd, heet dan blauwe waterstof.

Bij groene waterstof wordt helemaal geen kolen of gas meer gebruikt. Die wordt geproduceerd via elektrolyse: de duurzame stroom wordt met water in contact gebracht, waardoor de watermoleculen zich splitsen in waterstof en zuurstof. Dat proces kan je daarna ook weer omkeren met als resultaat water, warmte en stroom.

Netbeheerder Tennet, de Gasunie en de Roterdamse haven kijken naar de mogelijkheid om een waterstofeiland in de Noordzee aan te leggen. Daar kan dan stroom van windparken worden opgeslagen met behulp van waterstof. „Vooral voor windparken die meer dan honderd kilometer uit de kust liggen, kan dat een uitkomst zijn”, zegt Peters van TNO.

Het gebruik van waterstof heeft als voordeel dat de windparken dan niet meer aan het stroomnet hoeven worden gekoppeld, waarvoor geen extra investeringen in het netwerk meer nodig zijn. „Waterstof kan dan via bestaande pijpleidingen, zoals gaspijpledingen, aan land komen. Door de opslag in moleculen wordt de capaciteit veel groter. Het toch al zwaar belaste stroomnetwerk in Nederland heeft een capaciteit van slechts 20 gigawatt, terwijl het gasnetwerk een capaciteit kent van 350 gigawatt, waarvan een deel vrijkomt als de Groningse gaswinning stopt.”

Nadeel is wel dat er veel verlies optreedt bij de omzettingen. Een derde van de stroom verlies je volgens TNO bij de elektrolyse (van stroom naar waterstof) en nog eens de helft op de terugweg, van waterstof naar stroom.

Is het dan een aantrekkelijk alternatief, als twee derde verloren gaat? Toch wel, zegt Van Wijk, die denkt dat het verlies in de praktijk eerder de helft zal zijn dan twee derde. „In een duurzaam energiesysteem moet je kijken naar de totale kosten en niet alleen naar de efficiëntie. Stel dat wij in de toekomst stroom halen uit de Sahara die 1,5 cent per kilowattuur kost. De goedkoopste stroom kost hier 5 tot 6 cent, zonnestroom zelfs 8 tot 9 cent. Daar leveren zonnepanelen twee- tot driemaal zoveel op als hier, terwijl bijvoorbeeld grondkosten daar ook lager zijn. Ondanks het verlies bij de omzetting en ondanks de transportkosten van waterstof kan dat altijd nog rendabel zijn.”

3 Hoe kunnen we waterstof gaan gebruiken?

Het voorbeeld van de Sahara geeft Van Wijk niet zomaar. Volgens de Delftse hoogleraar kan waterstof een grote rol gaan spelen in de import van zonne- en windstroom uit Noord-Afrika. Mede door een recent artikel hierover heeft hij in Eurocommissaris Frans Timmermans inmiddels een medestander. „In mijn dromen zou ik een partnerschap aangaan met Noord-Afrika en ze daar helpen grote zonneparken aan te leggen, deze energie om te zetten in waterstof en die waterstof via bestaande gaspijplijnen naar Europa te transporteren”, zei Timmermans afgelopen najaar in het Europees Parlement.

We hebben in Nederland al snel het idee dat er niet voldoende plek is voor duurzame energie. En dat klopt ook voor Nederland, zegt Van Wijk. Maar dat geldt niet als je mondiaal kijkt. Volgens zijn berekeningen is het voldoende om 8 procent van de Sahara vol te zetten met zonnepanelen om de wereld van energie te voorzien. „In ons denken zit ingebakken dat we het allemaal zelf moeten opwekken. Maar we importeren nu ook al de helft van onze energieconsumptie en dat wordt alleen maar meer. Er wonen hier veel mensen en we hebben niet de beste wind, en zeker niet de beste zon. Dan wordt waterstof een uitkomst.”

Nederland kan volgens de Delftse hoogleraar juist profiteren van de transitie van aardgas naar waterstof. „Ik zie een grote rol voor ons weggelegd. Het gasnetwerk van Europa begint in Nederland. Met wat aanpassingen is dat ook geschikt voor waterstof. We hebben de kennis, we hebben de terminals om het op te slaan. De potentie van de Noordzee zie ik echt wel, maar dat is niet eens genoeg voor de helft van ons verbruik.”

We hebben hier niet de beste wind, en zeker niet de beste zon

Ad van Wijk hoogleraar Delft

Los van de stroomproductie kan waterstof ook dichter bij huis worden gebruikt. „Waterstof kan een belangrijke rol gaan spelen in het transport. Dan moet je vooral denken aan zwaar wegtransport en scheepvaart”, zegt Peters. Ook in de gebouwde omgeving zijn die mogelijkheden. In het Engelse Leeds is het gasnetwerk geschikt gemaakt voor waterstof, en de stad wil vanaf 2026 in zeven jaar overstappen op waterstof. „Daar is het plan om wijk voor wijk om te gaan. In Nederland verwacht ik eerder dat waterstof aan het gas wordt toegevoegd. Als je overal 10 procent bijmengt, heb je het jaarlijks over 1 miljard kuub voor huishoudens. Dat is een gigantische hoeveelheid”, zegt Peters.

De vraag is wanneer het gebruik van waterstof echt op gang gaat komen. Nu zijn veel bedrijven nog met bescheiden experimenten bezig. In een recente toekomstvisie verwacht de Gasunie dat het gebruik van waterstof pas in 2030 echt op gang komt. Een realistische verwachting, vindt Peters. „Iedereen hikt nu nog tegen het kip-eiprobleem aan. De productie gaat pas echt beginnen als er een markt is en een goede infrastructuur voor transport en opslag.”

Net als Van Wijk ziet Peters geen technische problemen voor waterstofgebruik op grote schaal. De brandstofcel waarin waterstof en zuurstof bij elkaar komen, bestaat bijvoorbeeld voor de auto. Ook de eerste cv-ketels die raad weten met aardgas en waterstof komen nu op de markt . „Het belangrijkste is de kosten van de omzetting van stroom naar waterstof naar beneden te krijgen.”

4 Is waterstof gevaarlijk?

Net als aardgas is waterstof brandbaar, maar het leidt niet tot meer explosiegevaar. Vanwege zijn hogere vluchtigheid stijgt waterstof sneller op dan aardgas waardoor de kans op explosies kleiner is.

Inmiddels is er al veel ervaring met het gebruik van waterstof. Het is al jaren een belangrijke grondstof in de industrie, bijvoorbeeld voor het kraken van olie, het ontzwavelen van fossiele brandstof of de productie van kunstmest. Op dit moment verbruikt de Nederlandse industrie jaarlijks 800.000 ton waterstof en dat staat gelijk aan bijna 9 miljard kubieke meter.

„Voor veel mensen heeft brandbare waterstof inderdaad een gevaarlijke klank. Maar in de industrie is enorm veel ervaring met productie en gebruik”, zegt Peters van TNO. Al zal de veiligheid nog wel de nodige aandacht krijgen als waterstof daadwerkelijk huishoudens binnenkomt. „Dan moet je natuurlijk ook gaan denken aan de hobbyist die op het idee komt om het waterstofleidinkje in zijn keuken even te verlengen.”

Oorspronkelijk verscheen dit artikel op: https://www.nrc.nl/nieuws/2020/01/10/de-wereld-kan-op-waterstof-rekenen-a3986468

Deutschland will Wasserstoff aus der Wüste

Christian Schaudwet

von Christian Schaudwet

veröffentlicht am 25.11.2019

Bei ihren Plänen für CO2-neutralen Wasserstoff setzt die Bundesregierung auf Importe aus dem sonnenreichen Süden. Marokko signalisiert Interesse. Bis zur ersten Lieferung könnte es allerdings lange dauern. Vorrang hat für das Königreich erst einmal die Selbstversorgung.

Die Bundesregierung will im Dezember ihre mit Spannung erwartete Strategie für eine klimafreundliche Wasserstoffwirtschaft vorlegen. Jüngste Äußerungen aus der schwarz-roten Koalition deuten darauf hin, dass es sich bei dem Papier im Wesentlichen um eine Importstrategie handeln wird. Grüner Wasserstoff soll aus sonnenreichen Ländern Südeuropas, Nordafrikas oder aus dem Nahen Osten eingeführt werden, blauer Wasserstoff aus Erdgas könnte aus Norwegen oder Russland kommen. Wasserstoff aus dem Ausland begeistert die Energieplaner, er soll Deutschland helfen, seine Klimaziele zu erreichen – ganz ohne Koalitionsstreit über Mindestabstände und ohne besorgte Bürger wie bei der Windenergie.

Die grüne Variante wird per Elektrolyse mithilfe von Solar-und Windstrom gewonnen (Power-to-Gas/Power-to-X). Unter den möglichen Lieferanten profiliert sich bisher vor allem das stabile Marokko. Dort sind Ausschreibungen für Pilotanlagen mit Beteiligung ausländischer Unternehmen in vollem Gange. An Bord sind bereits die Fraunhofer-Institute für Mikrostruktur von Werkstoffen und Systemen (Halle) und für Grenzflächen und Bioverfahrenstechnik (Stuttgart). Sie und das Fraunhofer Institut für Innovation und Systemforschung (München) stehen seit Längerem in Kontakt mit dem marokkanischen Forschungsinstitut für Solar- und Erneuerbare-Energien (Iresen). Bei Iresen in der Hauptstadt Rabat laufen die Fäden für die Power-to-X-Forschung des Landes zusammen.

Badr Ikken, der Generaldirektor des Iresen, ist optimistisch, dass die deutsch-marokkanischen Gespräche Früchte tragen: „Ich habe den Eindruck, dass in Deutschland Interesse an einer wirklich gemeinsamen Entwicklung besteht“, sagte er im Gespräch mit Tagesspiegel Background. Ikken, der in Deutschland Maschinenbau studiert und danach unter anderem für ein Fraunhofer-Institut gearbeitet hat, nimmt am heutigen Montag neben anderen Vertretern Marokkos am „Desert Energy Leadership Summit“ in Berlin teil. Veranstalter ist die Agentur Dii DesertEnergy, die aus dem einstigen Desertec-Konsortium hervorgegangen ist. Desertec hatte sich in den Nullerjahren den Import nordafrikanischen Solarstroms zum Ziel gesetzt, doch viele der anfangs beteiligten Unternehmen verloren angesichts der Komplexität und Langwierigkeit des Vorhabens das Interesse.

Aus den Fehlern von Desertec lernen

Ikken blickt kritisch auf diese Zeit zurück: „Der Fehler war, dass man nur über den Export des Stroms sprach. Dabei brauchte Marokko damals so dringend Strom, dass es ihn oft aus Europa importieren musste.“ Desertec habe neben seriösen Akteuren auch viele Opportunisten angezogen, „die nur schnell Geld verdienen wollten“, sagte Ikken. Daraus müsse man für die Perspektive einer Power-to-X-Kooperation lernen: „Wir müssen einen gesunden, nachhaltigen Rahmen schaffen, in dem die wirtschaftlichen und sozialen Interessen von Marokko ebenfalls vertreten sind.“

Dem Königreich geht es beim ersten Power-to-X-Pilotprojekt „Green H2A“, das in einem bestehenden Industriepark angesiedelt und von Fraunhofer-Instituten begleitet werden soll, vor allem um Wasserstoff für die Produktion von Ammoniak. Der marokkanische Phosphatverarbeiter OCP ist einer der weltgrößten Hersteller von Düngemitteln und benötigt riesige Mengen von Ammoniak, die er bisher importieren muss. Das gasförmige Vorprodukt wird aus Wasserstoff und Stickstoffhergestellt. Nahziel der gerade entstehenden „Power-to-X-Roadmap“ Marokkos und der dafür zuständigen Kommission ist es, OCP mit Ammoniak aus heimischer Produktion zu versorgen, dessen Wasserstoffanteil per Power-to-X gewonnen wird. Auch eine Methanol-Produktion auf Grundlage von Power-to-X ist im Gespräch. An einen Export von Wasserstoff nach Europa denken die Marokkaner erst mittel-bis langfristig.

Die notwendigen Grünstromkapazitäten baut das Land gerade auf – unter anderem mit Unterstützung der deutschen Förderbank KfW. Im Jahr 2016 ging das solarthermische Kraftwerk Noor Ouazarzate in Betrieb – mit einer Leistung von 510 Megawatt ist es eine der größten CSP-Anlagen der Welt (Concentrated Solar Power). „Das große Solarprojekt Noor Ouazarzate und einige Windprojekte – wir haben jetzt Erfahrung mit grüner Stromerzeugung“, sagte Iresen-Chef Ikken. Nun mache sich Marokko bereit für Power-to-X. Die Preise für Wind- und Solarstrom sänken weiter – „Wenn sie bei zwei Cent pro Kilowattstunde sind, wird es sehr interessant für die Wasserstoffproduktion.“

Per Pipeline durchs Mittelmeer

Marokko, das seinen Strombedarf bisher zum größten Teil noch aus Kohle, Gas und importierter Elektrizität deckt hat, will bis zum Jahr 2030 einen Erneuerbaren-Anteil von mindestens 52 Prozent in seinem Netz erreichen. Zugleich, sagte Ikken, biete das Land gute Bedingungen für den Betrieb von Elektrolyseuren. Mit vergleichsweise konstanter Stromerzeugung aus Erneuerbaren dank starker Sonneneinstrahlung und stetiger, kräftiger Winde ließen sich solche Anlagen mit einem hohen Auslastungsgrad betreiben.

Als mögliche Wasserstoff-Lieferländer in der sogenannten Mena-Region (Middle East North Africa) gelten unter Experten auch Oman und die Vereinigten Arabischen Emirate, wo Siemens zur Weltausstellung Expo 2020 in Dubai einen Elektrolyseur aufstellen soll. Sogar Saudi-Arabien zeige Interesse, heißt es. Der Ölstaat will mit dem Börsengang seines Ölkonzerns Saudi Aramco unter anderem die Technologiestadt Neom finanzieren, in der auch eine Wasserstoff-Infrastruktur Platz haben könnte.

Auch zum Transport der begehrten grünen Moleküle von Nordafrika nach Europa gibt es bereits Überlegungen: Die niederländischen Energiexperten Ad van Wijk (TU Delft) und Frank Wouters (Dii Desert Energy), die an der heutigen Dii-Konferenz in Berlin teilnehmen, schlagen in ihrer Studie „Hydrogen – the Bridge between Africa and Europe“ vor, bestehende Erdgaspipelines durchs Mittelmeer für den Transport von Wasserstoff umzurüsten und gegebenenfalls zusätzliche Leitungen zu legen. Das sei kostengünstiger als ein Transport per Tankschiff. In diesem Szenario führen die Unterseeleitungen den Wasserstoff zunächst nach Südeuropa – Deutschland läge aus nordafrikanischer Sicht demnach eher an der Peripherie eines solchen Wasserstoffnetzes.

Ammoniak-Produktion hat Priorität

Dennoch ist das Interesse hierzulande groß: „Die Bundesregierung hat das Potenzial relativ früh erkannt – nicht nur aus Gründen der Energieversorgung, sondern auch, weil es Perspektiven für deutsche Unternehmen bietet“, sagte Iresen-Chef Ikken. Schon vor Jahren hat Deutschland Energiebande mit Marokko geknüpft. Seit 2012 besteht die bilaterale Energiepartnerschaft „Parema“, die von der Deutschen Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit (GIZ) koordiniert wird. Eines der Themen von Parema ist Power-to-X. Dies sei „insbesondere bei der deutschen Energieindustrie hinsichtlich möglicher Importchancen auf großes Interesse“ gestoßen, heißt es dazu bei der GIZ.

Auch das Fraunhofer Institut für Innovation und Systemforschung (ISI) setzt große Hoffnungen in Marokko. Es hat das Power-to-X-Potenzial des Landes analysiert: „Zwei bis vier Prozent der weltweiten Nachfrage nach PtX – ein Markt von 100 bis 680 Milliarden Euro im Jahr 2050 – könnten von Marokko gedeckt werden“, sagte der zuständige Fraunhofer-ISI-Projektleiter Wolfgang Eichhammer bei der Vorstellung einer entsprechenden Studie im September. Besonders großes Potenzial habe Marokko für Power-to-X zur Ammoniak-Produktion für Eigenbedarf und Export.

Letzteres allerdings dürfte von der Bundesregierung kritisch gesehen werden. Denn falls Marokko sich beim Aufbau einer Power-to-X-Industrie tatsächlich auf die Produktion und den Export des margenträchtigeren Ammoniaks konzentriert, bliebe weniger Wasserstoff übrig, den das Land nach Deutschland exportieren könnte.

Ohnehin: Gemessen an der Häufigkeit, Dringlichkeit und Selbstgewissheit, mit der deutsche Politiker und Wirtschaftsvertreter derzeit für einen strategischen Wasserstoffimport aus dem sonnenreichen Süden argumentieren, mutet der Entwicklungsstand einer möglichen Exportstruktur in Marokko und anderswo in der Mena-Region noch embryonal an. Ein Erneuerbaren-Experte in Abu Dhabi drückt es so aus: „Bisher sind alle nur am studieren.“

Origineel verscheen eerder op: http://background.tagesspiegel.de/energie-klima/deutschland-will-wasserstoff-aus-der-wueste